Lichtenvoorde

Lichtenvoorde Lichtenvoorde Lichtenvoorde
In 1277 liet Gieselbert van Bronckhorst, de Burcht Lichtenvoorde bouwen bij de "voorde" (doorwaadbare plaats) in het centrale bekengebied. Lichtenvoorde, kerspeldorp dat rond 1397 onder de heren van Bronkhorst kwam en deel uit­maakte van de Heerlijkheid Borculo, omvat­te de plaats Lich­tenvoorde en de b­uur­schappen Vragender en Lichten­voorder Bosch, Lievelde en Zieuwent. Binnen de voormalige heerlijkheid Lichtenvoorde waren twee havezaten, Tongerlo en Harreveld. De heerlijkheid Lichtenvoorde was sinds 1397 in het bezit van de graven van Bronkhorst. De leenheer­schappij van de heerlijkheid werd in 1406 door Gisbert II aan het prinsbisdom Münster overgedragen. Toen het geslacht Bronkhorst in mannelijke lijn uitstierf, kwam de heerlijkheid door een uitspraak van het Hof van Gelre in 1615 weer toe aan het hertogdom Gelre en de graafschap Zutphen. De heerlijkheid werd bij akte van 27 december 1776 gekocht door Stadhouder Wil­lem V. Tot de Bataafse Revolutie in 1795 bleef de heerlijkheid een persoonlijk bezit van de Oranjes. Nadien bleef alleen de titel "Heer van Lichtenvoorde" behouden. Koningin Beatrix draagt daarom nog steeds de titel 'Vrouwe van Lichtenvoorde'. Hoewel Lichtenvoorde in oude akten wel als stad wordt aangeduid is geen datum bekend waarop het stadsrecht werd verleend. Lichtenvoorde was echter wel omgracht en verdedigbaar. Met gracht en poorten kon men voorkomen dat er ongewenst volk binnenkwam. Doordat Lichtenvoorde lang tot het bisdom Münster behoorde en de Contrareformatie er - ondanks de calvinistische invloed door de Staatse overheid - effectief werd doorgevoerd, wordt Lichtenvoorde met zijn onmiddellijke omgeving nog altijd door een rooms-katholieke meerderheid gekenmerkt.